Luisterverhalen die je verder laten wandelen
In mijn rol bij Erfgoed Gelderland werd ik door Toerismebureau Veluwe Arnhem Nijmegen en Bureau Toerisme ingehuurd om tientallen luisterverhalen te ontwikkelen voor wandelroutes door heel Gelderland.


In mijn rol bij Erfgoed Gelderland werd ik door Toerismebureau Veluwe Arnhem Nijmegen en Bureau Toerisme ingehuurd om tientallen luisterverhalen te ontwikkelen voor wandelroutes door heel Gelderland.
Per verhaal was gemiddeld drie uur beschikbaar, inclusief beeld- en brononderzoek, onderwerp- en locatieselectie, en het schrijven van het script. De verhalen moesten toegankelijk zijn voor een breed publiek: licht van toon, maar inhoudelijk rijk, zodat luisteraars met nieuwe inzichten verder wandelen. Het project werd zeer positief ontvangen en leidde tot meerdere vervolgopdrachten.
Voor de leesbaarheid zijn omschrijvingen van geluidseffecten en notities weggelaten.
Social media is niet meer weg te denken uit ons leven. We liken en reageren erop los. Maar in de 16de en 17de eeuw deden mensen dat óók – met een album amicorum: een vriendenboekje. Het heeft veel weg van social media. Wij delen filmpjes, zij deelden liedjes; wij delen foto’s, zij tekenden plaatjes; wij spelen spelletjes, zij losten raadsels op.
De vriendenboekjes geven ons een kijkje in het dagelijkse leven van adellijke dames, die vaak zo’n boekje hadden. Zo’n album amicorum is bijvoorbeeld afkomstig van Walraven van Stepraedt uit Slot Doddendael. Hieruit blijkt dat haar sociale kring bestaat uit bekende families en vrienden uit Oost-Gelderland en de Duitse Rijnprovincie. De vriendenboekjes leren ons dat adellijke vrouwen vaak meerdere talen spreken en goed belezen zijn.
Wapenschilden zijn in een vrouwenalbum schaars. Bloemetjes en hartjes kom je daarentegen vaak tegen. In een mannenalbum nemen schrijvers vaak een hele pagina in beslag, terwijl je in een vrouwenalbum juist bijdragen vindt van verschillende vrouwen op dezelfde pagina. Ze reageren actief op elkaars berichtjes.
Staat jouw vriendenboekje vol met reacties? Dan laat dat aan de buitenwereld zien dat je populair bent. Ook wordt er geflirt: voor adellijke mannen is het vriendenboekje een uitgelezen kans om te laten weten dat je vrijgezel bent.
Asperges… De Romeinen waren er dol op. Ze werden gegeten door keizers en vereeuwigd op schitterende fresco’s en mozaïeken. Asperges werden gevonden in het wild, maar de Romeinen teelden ze ook en brachten ze mee naar Nederland. In de oudheid bestond enkel de groene variant. In het enige overgeleverde kookboek uit de Romeinse tijd staat een recept over hoe je dit groene goud kunt klaarmaken:
"Voor de beste smaak moeten asperges worden geschild, gewassen en gedroogd, en achterstevoren in kokend water worden ondergedompeld."
In 1988 werd tijdens opgravingen van een Bataafse nederzetting in Elst een bijzondere vondst gedaan: het handvat van een mes, ongeveer 10 cm lang, in de vorm van een asperge. Dit aspergemes was een afgietsel van een echte asperge. Eerst werd er een kleimodel van gemaakt, dat vervolgens werd gebakken en gevuld met een gesmolten metaal. Het resultaat zien we hier op de afbeelding.
Vergelijkbare aspergemessen zijn ook elders in het Romeinse Rijk gevonden, in Woerden bijvoorbeeld. Zou het exemplaar uit Elst geschonken zijn aan een belangrijke Bataaf? Het was in ieder geval een blikvanger aan tafel.

Romeins aspergemes, gevonden in Elst. Beeld: Collectie Valkhof Museum, publiek domein.
‘Aku pulang,’ ik ga naar huis. Mientje trekt haar sjaal strakker om zich heen wanneer ze uit de bus stapt. Deze avond heeft ze gelachen, gezongen en gedanst. Eén iemand blijft door haar hoofd spoken: de muzikant Julianus. Mientje loopt over het zanderige pad richting het Molukse opvangkamp Klein Baal. Haar thuis, voor nu dan. De geur van een kruidige bouillon uit de gemeenschappelijke keuken mengt zich met de scherpe kou. In de verte klinkt het gehuil van een baby.
Vanaf 1952 dient Klein Baal als opvangkamp voor Molukkers. Aan het begin huisvesten 10 barrakken ruim 130 inwoners. Veel van de mannen in het kamp werken bij de Nederlandse Staalindustrie, slopend werk in ploegendienst. Mientje probeert zachtjes te doen wanneer haar vader slaapt. Maar dat is lastig want de barakken zijn slecht geïsoleerd. Bovendien zijn de Molukkers niet gewend aan de koude Nederlandse winters.
Tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog in de jaren 40 vochten de Molukkers aan de kant van Nederland, wat hen in conflict bracht met de nieuwe Indonesische regering. Daarom werd er besloten de Molukkers tijdelijk op te vangen in Nederland. Zes maanden was de gedachte. Maar maanden werden jaren, zonder een einde in zicht. In de tussentijd werd de Molukse gemeenschap niet gehoord, niet begrepen en niet geheel omarmd.
Maar het leven gaat verder. Ook voor Mientje, die steeds vaker met Julianus afspreekt. De ouders van Mientje zijn niet blij, maar het jonge koppel zet door en trouwt in het kamp, waar zij tot de sluiting in 1964 blijven wonen.
Het is de eerste eeuw na Christus. Een jonge soldaat uit fort Carvium is extra vroeg opgestaan om een bezoekje te brengen aan de tempel bij Herwen. Hij is geen Romein, maar een Bataaf uit de Over-Betuwe. Hij verlangt naar Romeins burgerschap voor zichzelf en zijn gezin. Dat is hem na 25 jaar diensttijd beloofd. Hij moet nog drie jaar dienen. Regelmatig bidden tot de goden voor bescherming lijkt tot nu toe geholpen te hebben. Als dank voor die bescherming brengt hij een offer bij de tempel. Soms zijn dat speciale koeken of een offerdier, maar dit keer heeft hij wat muntgeld bij zich.
Herwen is in de Romeinse tijd een echte trekpleister. Meerdere tempels staan op de huidige Geitenwaardse Polder. De tempels liggen daarmee pal op de noordgrens van het Romeinse Rijk: uniek in Nederland. Vanaf de 1e tot de 4e eeuw bidden mensen hier tot de goden, zoals Hercules Magusanus, Jupiter-Serapis en Mercurius. Af en toe worden er rondom de tempels grote offervuren gemaakt. Hiervan zijn de haardkuilen teruggevonden.
Rijke Romeinen, zoals hoge officieren, laten een stenen inscriptie achter bij hun offer: dit noem je een votiefaltaar. Zo bedanken zij de goden voor het vervullen van een wens. Dat hoeft niet eens het winnen van een veldslag te zijn: een verblijf aan deze noordelijke frontier overleven, soms ver van huis, was al reden genoeg om dankbaar te zijn.
Het is het jaar 1530. Karel van Egmond, hertog van Gelre, heeft grote ambities voor Arnhem. “Een rivier langs de stadsmuren zou de verdediging van Arnhem goed doen. En de schippers…" Hij ademt diep in en proeft de vochtige lucht, met een vleugje vis en houtrook van de stad. “Het zou dagen aan vaartijd besparen. Schippers kiezen dan voor de Rijn in plaats van de Waal. Dat betekent meer tolinkomsten voor ons!"
Een ambitieus plan, dat is het zeker. Want een rivier verleggen doe je niet zomaar. In 1530 loopt de Rijn vanaf Malburgen nog in een grote lus om de Arnhemse Stadswaard heen. De oude rivierbedding, de strang, moet flink worden uitgediept. Wie gaat al dat graafwerk doen? En wie moet dat betalen?
Het Arnhemse stadsbestuur heeft een oplossing. In de vroege ochtend, als de mist nog laag over de velden hangt, klinkt het gekraak van houten karren. Boeren uit de omliggende dorpen sjokken richting de rivierbedding. De geur van paarden, zweet en nat stro hangt in de lucht. Dankzij een oud middeleeuws recht, de graaf- en karrenplicht, worden mensen uit het platteland opgeroepen om mee te helpen bij de bescherming van de stad. Zij moeten dus het graafwerk verrichten. Ook wordt er tot de woede van de Arnhemse burgerij accijns geheven op hun eerste levensbehoeften: meel, bier en wijn.
Zes jaar later, in 1536, is de taak volbracht. Op de kaart van Jacob van Deventer uit 1560 is te zien dat de rivier nu vlak langs de stad stroomt. Arnhem is een echte Rijnstad geworden.