Van dierenfabel tot embleemboek
Gheraert Leeu's Dye Hystorien ende Fabulen van Esopus (1485) en de vroege ontwikkeling van het embleemgenre in de Lage Landen.


Dit is een samenvatting van een paper die ik in 2020 schreef als onderdeel van de bachelor Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. De paper werd beoordeeld met een 8,5 en is gepubliceerd door Jonge Historici. De volledige versie is hier te vinden.
De Lage Landen vormden met hun decentrale instituties een kosmopolitisch walhalla voor lokale initiatiefnemers. Een van die initiatiefnemers was Gheraert Leeu, drukker en uitgever, die Lotte Hellinga terecht omschreef als "the most original publisher in the Low Countries in the fifteenth century." Op 12 oktober 1485 bracht Leeu Dye Hystorien ende Fabulen van Esopus uit — een verzameling van meer dan 150 dierenfabels, elk voorzien van een houtsnede en een moraal. Het was de eerste Nederlandstalige Esopus-uitgave van zijn soort.
In 1567 schreef Eduard de Dene met De Warachtighe Fabulen der Dieren het eerste Nederlandstalige embleemboek. Bekende dierenverhalen — zoals dat van de pauw en de nachtegaal — werden verwerkt in de vorm van een opschrift, een beeld en een moraliserende boodschap. De vraag die in dit onderzoek centraal staat is hoeverre Leeu's werk uit 1485 al past binnen de ontwikkeling van de embleemboeken die doorgaans wordt toegeschreven aan de periode van circa 1530 tot 1650.
"When sixteenth-century humanist naturalists became interested in the symbolic meanings of animals, the Aesopic corpus became an important source. No student of the peacock would want to ignore the fable of Juno and the peacock." — William Ashworth
De kortste definitie van een fabel is afkomstig van Theon van Alexandrië: lógos pseudḗs eikonízon alḗtheian — een fictief verhaal dat de waarheid illustreert. De personages in de fabels van Esopus zijn meestal dieren, gekozen voor hun vermeende functionele eigenschappen: de sluwheid van de vos, de dommigheid van de ezel. De dieren blijven ondanks hun vermenselijkte eigenschappen wel dieren die hun plaats moeten kennen in de natuurlijke orde.
Een typisch embleem bestond uit drie onderdelen: een korte spreuk (inscriptio), een afbeelding (pictura) en een onderschrift (subscriptio). Bij een goed embleem waren alle drie de onderdelen essentieel om de verborgen betekenis te kunnen doorgronden. De grote populariteit van embleembundels in de vroegmoderne tijd kwam mede door het vaak humoristische en raadselachtige karakter van het embleem: wat viel er op te zien, wat wilde de maker overdragen, en naar welke literaire voorgangers werd er gerefereerd?
Om de transformatie van fabel naar embleem in kaart te brengen, wordt aan de hand van 'De pauw en de nachtegaal' Leeu's werk vergeleken met De Dene's De Warachtighe Fabulen der Dieren (1567) en het Woudt van Wonderlicke Sinne-Fabulen der Dieren van Adriaen van de Venne (1632). De reden dat juist dit verhaal centraal staat is de aanwezigheid van de heidense godin Juno — het biedt inzage in hoe christelijk Europa omgaat met een heidense figuur in een periode dat overblijfselen uit de Oudheid een hernieuwde interesse kregen.
Bij Leeu houdt de verteller de hand van de lezer vast. De personages en hun karaktereigenschappen komen duidelijk naar voren, er zit een logische structuur in het verhaal, en de fabel eindigt altijd met het moraal dat voor de lezer wordt uitgespeld. Juno loopt nog tussen de dieren op aarde rond en wordt beschreven als 'afgoddynne' — een verchristelijking van het heidens personage die verraadt hoe de middeleeuwse lezer omging met de erfenis van de Oudheid.
Bij De Dene verschuift de logica. Esopus wordt in het gehele embleemboek geen enkele keer bij naam genoemd. Zijn portret, doorgaans zichtbaar op de omslag, ontbreekt. De Dene en zijn illustrator Marcus Gheeraerts wilden benadrukken dat hun boek iets nieuws was. Het meest vernieuwende: niet alle fabels zijn afkomstig van Esopus. Sommigen had De Dene zelf gecreëerd. Het moraal wordt niet langer aan het einde gepresenteerd, maar staat al vanaf het begin op de linkerpagina als spreuk — de lezer moet uitvogelen wat het betekent voordat de fabel op de rechterpagina uitleg biedt.
Bij Van de Venne is de transformatie het verst gevorderd. Zijn versie telt vier pagina's en bevat teksten overgenomen uit Van den Vondels Vorsteliicke Warande der Dieren en Perrets XXV. Fabulen der Dieren. Juno verdwijnt vrijwel volledig uit de tekst. Haar rol wordt overgenomen door de nachtegaal. In een van de opgenomen versies zijn de dieren zelfs vervangen door menselijke personages — het is geen dierenfabel meer. Alleen wie de associaties van de pauw kent, begrijpt nog de vergelijking.
"It is difficult even today to picture Hera without her owl, Jupiter without his eagle, and Juno without the aforementioned peacock; in the Renaissance it was impossible."
Het moraal van 'De pauw en de nachtegaal' blijft door de eeuwen heen identiek — je kunt niet alles hebben in het leven — maar verschilt sterk in de vorm waarin het aan de lezer gepresenteerd wordt. Leeu's werk is het minst emblematisch van de drie, maar juist daardoor het meest Esopusiaans. Met het geheel weglaten van enige vermelding naar Esopus, de stamvader van het fabelgenre, wordt vanaf De Dene het embleemfabel gepositioneerd als iets nieuws; een lijn die doorgetrokken wordt via Etienne Perret en Joost van den Vondel naar Van de Venne.
Dit onderzoek suggereert dat de komst van het embleemboek niet plotseling ontstond, maar een langzame transitie doormaakte die voortbouwde op al reeds bestaande technieken en kennis — en dat Dye Hystorien ende Fabulen van Esopus uit 1485 daarin een vroege, maar herkenbare schakel vormt.